Make your own free website on Tripod.com
 
 
« May 2012 »
S M T W T F S
1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31
You are not logged in. Log in


 
 
weblog van sander meij
Wednesday, 25 May 2005
FOUT! WEGWEZEN! NAAR sandermeij.waarbenjij.nu
Ik doe hier niks meer mee, het schijnt dat bij velen deze weblog onleesbaar wordt, door de vele pop-ups die er constant schijnen te verschijnen. Dat willen we dus niet. Vandaar dat sandermeij.waarbenjij.nu een voor de hand liggende oplossing is. Binnenkort trouwens www.sandermeij.com

Tot later en uw dienst, als immer,

Sander

Posted by sandermeij at 6:07 PM MEST
Post Comment | Permalink
Monday, 11 April 2005
post-autobiografisme
Mood:  a-ok
Topic: kletterende letteren!
Post-autobiografisme

Ik stak geen sigaret op. Ik had een afspraak met ene Anneke, van een uitgeverij die volgens eigen zeggen hart had voor literatuur. Ze waren, zoals zoveel van dat soort instituten, gevestigd op enkele etages van zo’n protserig grachtenpand. Zo een dat van binnen helemaal bekleed is met marmer en dat soort overdreven gedoe. Ik meldde me bij de receptie en kon meteen doorlopen, alsof ik een bijzondere patient in een privekliniek was.
‘Hai, welkom, daar ben je dan.’
Ik ging tegenover haar zitten. Achter haar stond een halflege boekenkast. Die was daar vast neergezet met het oog op een vruchtbare toekomst.
’zo...’, zei ze overdreven opgewekt terwijl ze mijn manuscript bij elkaar veegde. Met een rode pen had ze hier en daar wat dingen omcirkeld of voorzien van commentaar.
‚Nou, het is me nogal wat zo he…’
‘Wat precies?’
‘Je verhaal, daar wilde ik het even met je over hebben…’
‘Ach…’
‘Ja, het is duidelijk nogal…hoe zal ik het zeggen…persoonlijk he? Heel beeldend, bijna plastisch geschreven soms, ik zit er vast niet ver naast als het ook een autobiografische inslag heeft...’
Voor een redactrice hield ze er een redelijk beroerde woordkeus op na. Een atoombom veroorzaakt een inslag, maar een manuscript? Okee, misschien was ik een beetje een zeikerd, maar ik wist het tenminste van mezelf.
‚Autobiografisch? Hoe kom je daar precies bij?’
‚Is het niet autobiografisch dan? Jij bent toch ook geboren in 1971?’
‚Nee hoor. Ik ben van een veel later jaar.’
‚Ik bedoel, er zitten toch heus wel enkele persoonlijke dingen in, ik bedoel, het is zo levensecht op papier gezet allemaal, die moeder die op een gegeven ogenblik sterft aan...wat was het ook al weer, borstkanker?’
‚Osteoperose’
‚O ja, en dat de ik-figuur die dan op wordt opgevangen door die oudoom die in Buchenwald heeft gezeten, die duidelijk een trauma heeft overgehouden aan die verschrikkelijke tijd, die dan vervolgens z’n handen niet thuis kan houden en dat kind dan op zo’n vreselijke manier misbruikt...’
‚Die oudoom zat daar niet als gevangene, maar als vrijwillige electricien, een trauma heeft hij niet...’
Wat als ik mijn boek in de hij-vorm had geschreven, of beter nog, de jullie-vorm?
‚Nou ja, het blijft een vreselijke plek natuurlijk, zo’n concentratiekamp...’, ging ze verder.
‚Die oudoom heeft gewoon nogal een bizar gevoel voor humor, dus voor hem was Buchenwald juist een feest der herkenning...en verder is het gewoon een ordinaire pervert, van wie er zoveel rondlopen.’

Ik was van de generatie, die te vroeg begonnen was met luisteren naar The Cure en te laat was geweest met sex. Van de laatste generatie ook, bij wie thuis het woord ‚kut’ niet gebezigd werd. Hoewel nu ook mijn ouders hard op weg waren hun woordenschat uit te breiden.
Van de laatste generatie die nog op een fatsoenlijke manier onderwijs had genoten. Let’s face it: alles wat na mij op deze aardkloot was verschenen, bleek duidelijk van een laag allooi. Je zou al snel geneigd zijn dat te vergeten. Ik was van de laatste generatie die John Lennon nog in levende lijve had meegemaakt. Welgeteld 18 dagen, maar toch. Wat wil dat zeggen? Niet dat ik ook maar iets op had met John Lennon. Zelf was ik bijvoorbeeld een stuk gewelddadiger, al had ik daar nog nooit echt bij stil gestaan.

‘Een gezwollen en toch rauwe stijl, die duidelijk refereert aan het werk van Celine, Reve, Claus wellicht...’
’Is dat zo? Celine, is dat geen wijvennaam?’
ze lachte overdreven. Ik vroeg of ik mocht roken. Ze zei ‚eigenlijk niet’, maar er stond een asbak op zo’n hoge voet en die stond daar vast niet voor niks. Ik stak een filterloze camel in m’n smoel en begon te paffen.
‚Dus ik heb nog eens met Victor gesproken, die op dit moment in New York zit, waar wij ook een aantal fondsauteurs hebben lopen trouwens, en ik denk dat je vast wel benieuwd bent naar wat hij erover te zeggen had...’
‚Waarover? Over mijn boek? Heeft ie het ook gelezen dan?’
‚Dat weet ik eigenlijk niet, hij zal in ieder geval de synopsis hebben doorgenomen’
Ik vroeg me af, of ze het zelf eigenlijk wel gelezen had. Vast niet. Leer mij die uitgeversdoosjes kennen. Dat mens had sowieso de uitstraling van een analfabete bijstandsmoeder. Victor mocht ik dan weer wel. Daar betrapte ik me soms op. Kaal en onaatrekkelijk was ie en altijd zo zat als een maleier. Verhalen uit de oude doos opdissen, daar hield ie van, verhalen waarvan niemand ooit het waarheidsgehalte kon bepalen. Hoe ie ooit met Jan Cremer naar de hoeren was geweest, hoe ie ooit zat was geworden met Herman Brusselmans, voordat die zich liet omkopen door een andere uitgever met dollartekens in z’n kop. Dat soort verhalen.

‚In principe heeft Victor hier vetorecht, zo gaat dat nou eenmaal, maar als ik hem bijvoorbeeld een auteur sterk aanraad, kan je er bijna zeker van zijn dat er over een contract gepraat gaat worden.’
Ze keek er bijna glunderend bij. Dat was sowieso iets wat me opviel aan types in het uitgeverswereldje: ze liepen altijd met een big smile op hun bakkes rond. Om niks. Er viel hier verder geen zak te lachen. Zelfs niet vanwege het schamele bedragje dat mijn debuut hen zou opbrengen.
‚...En ik zit er sterk over te denken om hem jouw manuscript aan te bevelen. Met plezier.’
Nu glunderde ze echt. Ik lurkte wat aan mijn sigaret.
‚Dus... . Wat vind je daarvan?’
‚Leuk.’
‚Leuk? Spring je geen gat in de lucht dan? Je werk gaat zeer waarschijnlijk uitgegeven worden bij ons! En we hebben echt een leuk fonds, je zal je er zeker thuis voelen! We hebben nog meer auteurs rondlopen van jouw generatie: Frank Puttendrukker, Abdel El Haziz, Truitje van Loofhout...’
‚Dat zal wel. Ik zal er in ieder geval es over nadenken.’

Die Truitje van Loofhout kende ik trouwens wel. Die had al haar interesse in mijn persoon verloren toen ze erachter kwam dat ik tijdens mijn leven tot nu toe nog niets van belang gepresteerd had. Bij Victor was ze daarentegen geen moment weg te slaan. Iedereen wist dat ze met hem naar bed was geweest, maar niemand mocht het weten. Dat was haar manier van op safe spelen na het floppen van haar laatste rukroman.
Frank Puttendrukker was een depressieve klootzak zoals er twaalf van in een dozijn gaan en die gluiperige Abdel El Haziz zag het als z’n levenstaak om iedereen ervan te overtuigen dat hij geen potentieele zelfmoordterrorist was.

Hanneke trok ze een gezicht dat geamuseerde verbazing verried.
‚Erover nadenken? Heb je nog andere aanbiedingen lopen dan?’
‚Nee hoor.’
‚Okee, je moet namelijk wel weten, dat het bij ons niet echt gebruikelijk is om manuscripten in behandeling te nemen van auteurs die nog ergens anders hebben gesolliciteerd..’
‚Dat weet ik, dat heb je me de eerste keer ook al verteld.’

Wat moest ik verder? Ik was van de generatie die wel eens bij McDonalds had gegeten maar nog nooit naar de hoeren was geweest. De generatie die een hekel had aan honden maar katten daarentegen redelijk hoog had zitten. Ik was niet van de generatie nix. Dat was me trouwens al helemaal een stel losers bij mekaar. Al spreekt het van grote zelfkennis jezelf ’nix’ te noemen, dat moet gezegd.
Eigenlijk was ik een kind geweest, dat vroeger nooit bij de padvinders had gezeten. Wel had ik ooit postzegels verzameld. Zowel binnenlandse als buitenlandse.
Ik was van de generatie die nog nooit een belastingschuld had gehad, omdat ik daarvoor nooit genoeg verdiend had.

‚Bedankt voor de koffie maar weer. Ik ga er es vandoor.’
‚Nou, ja, okee dan, je weet de weg he? We houden contact.’
Ik knikte.
‚ Dag Hanneke.’ zei ik. Misschien was Hanneke wel van mijn generatie. Ze was beslist niet lelijk en ze verzorgde zich goed, zo leek het. Al had ze ook iets treurigs met haar opgeplakte glimlach.

Het was het tijdperk dat bestond uit wachten. Wachten op het nieuwe, op opvolging, op sturing. Het leek me duidelijk, dat dit soort zaken van mijn kant niet verwacht dienden te worden. Niemand had in de gaten wat er werkelijk aan de hand was: er zou geen opvolging komen en ook geen sturing. Ik was van de generatie die na alle andere was gekomen en voor eeuwig iedereen op het verkeerde been zou zetten. Geen moment had ik dit betwijfeld noch betreurd.



Posted by sandermeij at 12:36 PM MEST
Post Comment | Permalink
Thursday, 10 March 2005
nieuw!nieuw!nieuw!
Hieronder begint een nieuw, waarschijnlijk langlopend verhaal. De setting is na een zekere apocalypse. Normen en waarden zijn omgedraaid en velen hebben het niet overleefd. Smullen, kortom!

Posted by sandermeij at 12:17 PM CET
Post Comment | Permalink
Alles Kapot (prequel)
Mood:  mischievious
'Zomerzondagmorgen met fladdervlinders als blije hersfstbladeren dwarrelend langs het bedauwde vensterglas waarachter de dichter minzaam in z'n bak lauwe oploskoffie roert (met een ganzenveer).'

1.
Uiteraard was het op een grijze, geheel troosteloze dag, dat ik langs een gracht Hans Dorrestijn tegen het tochtige lijf liep.
‘Kut’. Zei, Hans, ‘Zo gaat het met me. Dan hoef je daar tenminste ook niet meer naar te vragen. Vuile klootzak’ Ik vroeg hem opgewekt wat eraan scheelde.
‘Wijven’ brulde hij met onvaste stem die goedkope whiskey deed vermoeden.
‘Rot toch op ouwe zak! Dat roep je nou godverdaomme al 60 jaar, snul!’
Dorrestijn had inmiddels een touw om zijn nek gelegd, met daaraan een wasmachine gebonden.
‘Geef me een redden om het niet te doen…’
‘Geen sprake van!’riep ik jolig, waarbij ik hem kameraadschappelijk op z’n schouder sloeg. Dit deed ik echter net iets te hard, waardoor de oude bard z’n wankele evenwicht verloor en voorover de gracht in flikkerde. De reeds gereedstaande wasmachine werd hierbij omver getrokken en verdween achter de depressieveling aan. Ik staarde nog een tijdje naar de bruine luchtbellen die in het water opborrelden en draaide me om.
‘Opgeruimd staat netjes…’ mompelde ik, en stak de straat over, om een kroeg die ‘de Gore Ranspoot’ heette, binnen te stappen.
‘Godverdomme gore kankerklootzak’, riep ik tegen de uitbater die met z’n baard de tapinstallatie aan het oppoetsen was. Hier en daar lag een lijk in de kots te smeulen.
‘Geef me godverdomme snel wat te zuipen, anders verbouw ik die hele tent hier!’ ik had betere dagen gehad. De uitbater keek me schuins aan en deed er verder het zwijgen toe. Wat had dit nu weer te betekenen? Kon nu nog niet eens even de beleefdheid worden opgebracht om iets terug te zeggen? Waar ging het toch heen met deze wereld? In ieder geval betekende het wel, dat ik een hoop levensmoeie sukkels tegen het lijf liep de laatste tijd, want binnen een seconde had ik m’n blaffer van een Luger tevoorschijn getoverd en tegen de slaap van de uitbater geplaatst. Het was een souvenirtje van m’n opa, die vroeger nog bij de SS had gezeten. Of de NS, wat kan mij het verotten. Een pot nat.
‘komt er nou nog wat van? Met je kutbaard?’ maar nog voordat de arme man kon antwoorden, had ik de trekker overgehaald, en spatte zijn schedeldak krakend uiteen. Je moet je niet vergissen in dat soort dingen. En Lugers, dat kunnen gemene krengen zijn, neem dat van me aan.
Stomme eikel dat ik ook was, het was helemaal niet de bedoeling geweest om die knakker z’n hersens eruit te knallen. Dat had ik ook later immers altijd nog kunnen doen. Want wie ging me nou een biertje tappen? Daar had je het geflikker al. Stront aan de knikker. Dat kon ik nou natuurlijk mooi zelf weer opknappen. Wat een kutbegin van een nieuwe kutdag in deze kutstad.
Met een zakdoek veegde ik wat restjes schedelinhoud van de vettige tapinstallatie, en ik monteerde mijzelf een biertje. Hehe. Daar was ik nou net aan toe. Het was weliswaar 9 uur ‘s ochtends, maar wie kon dat nou ene kloot verrekken? De hele kloterij was toch naar de klote. Die uitbater erbij. Klootzak.
Het glas had mijn lippen nog niet bereikt, of de deur van ‘de Gore Ranspoot’ zwaaide open. Wie kon dat zijn? Ik had niemand uitgenodigd, verdomme. Kon een mens nou nooit eens rustig van z’n ochtendbier genieten?
De gordijnen zwaaiden open, en een in een soort cocon gehuld, garnaalachtig wezen diende zich aan. Wat mij als eerste opviel, was dat hij z’n lul uit z’n broek had hangen. Zo merkte ik ook meteen op dat het hier om een ‘hij’ en niet om dat andere geslacht ging. De nieuwe gast irriteerde mij meteen.
‘hee, gore labbekak, steek die snikkel ‘es weg, en gauw, voordat ik er een kogel doorheen jaag, vuile pervert!’ het gezicht van de lulzwaaier was gelukkig niet zichtbaar vanwege een enorme capuchon, wat maar goed was ook, want waarschijnlijk had hij een enorme rotkop, dat zou je altijd zien.
De wacko sloeg een blik op z’n klokkenspel, greep het beet, en moffelde het z’n groene pisbroek in.
‘Krankzinnigen en totaal gefreakte perverselingen lopen er al meer dan genoeg rond hier, smerige schurfthond. En nou je bek houden!’, deelde ik hem voor de zekerheid nog maar even mede. Kennelijk was hij niet bang voor een Luger meer of minder, want hoe ik ook zwaaide met mijn wapen, terugdeinzen deed hij allerminst. Hij bleef gewoon staan waar hij stond. Dit zinde mij voor geen meter, dus besloot ik z’n knieschijf naar de verdommenis te knallen. Dit deed ik. Helaas had ik vandaag niet zo’n scherp oog als normaal, zodat ik in plaats van de bedoelde knieschijf een kogel in z’n schaamstreek joeg. Het bloed spoot er uit, maar goed, die broek van ‘em was toch al smerig. Het was een koele trouwens, want geen woord bracht ‘ie uit, die knakker. Langzaam opende hij z’n parka. Het bleek dat hij een bord om z’n nek had hangen, waarop geschreven stond ‘ik ben doof’. Ik knikte naar hem ten teken dat ik het gelezen had, en haalde vergoeilijkend mijn schouders op. Tja. Gehandicapten denken nu eenmaal altijd dat ze meer rechten hebben dan wij, gezonde mensen. Mooi dat dat voor deze sukkelaar niet opging natuurlijk.
Hij draaide z’n bord om. Op de achterkant stond: ‘en stom ben ik ook.’ Nu begonnen er een paar alarmbellen bij me te rinkelen. Vandaar dat die eikel geen krimp gaf toen ik z’n ballen aan gort schoot! Hij was natuurlijk niet in staat om maar een zinnig woord uit te brengen.
‘Nou snap ik het, ouwe garnaal dat je d’r bent!’ vriendschappelijk gaf ik hem een klopje op z’n schouder. Hij deed z’n capuchon af, en eindelijk had ik in de gaten wie er voor me stond! Het was doofstomme Fredje, met wie ik nog wel ‘es een paar smerissen had koud gemaakt vroeger. Let wel, ik heb het dan echt over de beginperiode.
Doofstomme Fredje! Die stond bekend om z’n zwijgzaamheid. Ideale partner voor het opknappen van vuile klussen. En als ‘ie al ‘es een keer gesnapt werd door dat totaal lamme politie-apparaat hier in de stad, dan kregen geen woord uit ‘em! Nog nooit heeft ‘ie iemand erbij genaaid, die ouwe seismegoochem! Een keiharde. Een koele. Beruchte reputatie in het circuit. En dat wil wat zeggen, want het circuit, dat liegt er niet om. Bij hem vergeleken was ik nog maar een mietje. Of mietje. Een vriendelijke jongen, zeg maar. Ik bedoel, laten we elkaar geen mietje noemen, en laten we dan vooral bij mezelf beginnen.
‘Fredje!’, schreef ik op een bierviltje, ‘Hoe is het jongen? Zal ik meteen een ambulance bellen, of drink je er liever eerst nog eentje mee?’ Ik overhandigde hem het viltje, waarop hij een biertje gebaarde. Ik stak mijn duim naar hem op en tapte een perfect biertje voor Fredje. Die Fredje. Al tijden niet meer gezien en wat denk je? Kom je ‘em zo tegen. Ik liet een glaasje jonge vallen in z’n vaasje, en stak het ‘em toe. We klonken. Als vanouds. Inmiddels was fredje begonnen iets op een blocnote te schrijven. Geamusseerd keek toe. Het plotseling tegenkomen van een oude bekende bezorgt je normaal gesproken niets dan overlast, maar vandaag had ik nu eenmaal een extreem goed humeur, vraag me niet waarom of het loopt slecht met je af, het was er ineens.
Fredje was klaar met z’n schrijfwerk en overhandigde me de blocnote. Ik las:
‘Godgloeiende moeder Maria. Godverdegodverdegodverdomme. Allejezus grote gore kuttekop, wat doet dat pijn. Luger zeker?’ ik knikte, waarop Fredje hoofdschuddend z’n voorhoofd depte. Ik las verder:
‘Gelukkig waren m’n ballen toch al geamputeerd na dat incident met de blikopener. Maar zou je dit voortaan niet meer in je botte kop willen halen a.u.b? b.v.d!’
Ik maakte een verzoenend gebaar naar Fredje, en om mijn gastvrije houding nog eens extra te onderstrepen, greep ik een fles Berenburger, en gaf die aan ‘em. Hij noteerde ondertussen:
‘Wat is er trouwens met schele Simon aan de hand?’
‘Die is dood.’, schreef ik terug. ‘Bedrijfsongeval.’ Hierop lachten we als twee kleine kinderen. Man, eerlijk waar, met die doofstomme Fredje kon je lachen.


Posted by sandermeij at 12:12 PM CET
Post Comment | View Comments (3) | Permalink
Sunday, 6 March 2005
moderne tijden
Mood:  caffeinated
goedenavond, middag of morgen, het hangt er maar van af waar u zich bevindt en meer dan dat, het tijdstip waarop u dit leest. Van nu af aan zal ik u via deze weblog op de hoogte houden van persoonlijke wederwaardigheden. Vernuftig, nietwaar?

Vandaag was een behoorlijk vermoeinde dag. Om te beginnen alleen al het opstaan: om 1 uur vanmiddag stond ik alweer naast mijn bed, vanwege een irritant aanhoudend telefoongerinkel. Ik opnemen. Was het een of andere arabier die het verkeerde nummer had ingetoetst. Ik had zulks uiteraard meteen in de gaten, want zoveel arabieren ken ik, toegegeven, nou ook weer niet. Of het moet Abdullah zijn, die mij af en toe van illegaal gekweekt varkensvlees voorziet, een business die voor hem nog de nodige risico's met zich meebrengt, al was het alleen maar vanwege het feit dat z'n vader een fervent vegetarier is. Die vader van Abdullah is sowieso een kerel met een gebruiksaanwijzing. Abdullah zegt dat dat te wijten is aan een gebrekkige opvoeding. Abullahs vader z'n ouders waren simpele woestijnarbeiders. Z'n moeder was stokdoof en leed aan chronisch overgewicht en z'n vader speelde de hele dag klarinet, een instrument dat de vader van Abdullah van kindsbeen af met een ontzettende weerzin heeft vervuld.
Op een dag is het zelfs zo ver gekomen dat Abdullah's vader, die overigens ook Abdullah heet, zijn oude heer z'n muziekinstrument heeft ontfutseld en ermee de woestijn in is getrokken. Drie dagen en drie nachten heeft hij gelopen, een barre tocht moet u rekenen en zeker in die tijd. Ik heb het over de jaren vijftig van de vorige eeuw. Toen had je nog woestijnen. Tegenwoordig is er alleen nog maar zand over. Enfin, die man dus lopen met die klarinet onder z'n klamme oksel geklemd, totdat ' ie het welletjes vond en het instrument maar kwansuis begroef. Opgelucht keerde hij huiswaarts. Maar wie schetste zijn verbazing toen hij bij het naderen van z'n bedoeidentent, de schelle klanken hoorde van, jawel, een klarinet? Het bleek dat z'n vader van zijn vader z'n vaders vader eens op de rommelmarkt van Al Shakba's s'Hagrijn een goedkope partij klarinetten op de kop had weten te tikken. En die had Abdullah's vader vader, die dus ook Abdullah heette, ge-orven.
Sindsdien zit Abdullah in een diepe crisis, waar hij nooit meer helemaal uit is gekomen. De frustratie en wanhoop is helaas ook overgedragen aan de jongste generatie, te weten Abdullah, die zo nu en dan mijn kapsel in orde brengt en verder dus in de illegale varkensvleesbranche actief is. Waarom zijn vader eigenlijk vegetarier is, is tot op heden niet opgehelderd. Als Abdullah hem simpelweg vraagt naar de reden daarvoor, trekt zijn vader altijd zijn mondhoeken naar beneden, hetgeen deze toch al zo gesloten man nog enigmatischer maakt. Wijlen zijn vrouw en tevens Abdullah's moer, is overigens vlak na de geboorte van haar eerste en enige kind om het leven gekomen door steniging, omdat zij een appel had laten vallen op de markt van Al gha'izsel Bakbak. Een familie kortom, die geen enkele vorm van ellende bespaard is gebleven.
Enfin, het was dus niet Abdullah die me vanmiddag wakker belde. Wel was dit ene teleoontje genoeg om de dag definitief van start te doen gaan en die dag is gecontinueerd tot aan dit moment. We zullen zien wat er morgen gebeuren zal en ja, zelfs de komende dagen. Voor nu geldt slechts Reve's bekende adagium: Moedig voorwaarts, op weg naar het einde.

Posted by sandermeij at 12:40 AM CET
Post Comment | View Comments (1) | Permalink

Newer | Latest | Older